WILSBEKWAAMHEID

In het verpleeghuis hebben we veel te maken met vraagstukken over de wilsbekwaamheid van patiŽnten. Er zijn allerlei oplossingen voor de vertegenwoordiging van wilsonbekwamen.

Daarover gaat de onderstaande tekst, afkomstig van een brochure van het Ministerie van Justitie.

Zie ook Wetgeving


Tekst (1875 woorden)

JURIDISCH KADER BIJ DE BEOORDELING VAN WILSBEKWAAMHEID

De huidige praktijk heeft een wettelijke grondslag in een aantal wetten.

In het navolgende zal worden aangegeven in welke situaties de kwestie van de wilsbekwaamheid volgens deze wetten een rol kan spelen.

Wet omtrent de overeen komst inzake geneeskundige behandeling

De wet omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling (WGBO) (artikel 446 e.v. Boek 7 BW) expliciteert de rechtspositie van de patiŽnt met betrekking tot verrichtingen op het gebied van de geneeskunst, daarbij rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen als goed hulpverlener. Ingevolge deze wet is voor het verrichten van een onderzoek of een behandeling het

"informed consent" van de patiŽnt vereist (art. 7:450). Dit betekent dat de toestemming van de patiŽnt moet zijn gebaseerd op door de hulpverlener verstrekte informatie over de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling, over de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de gezondheid van de patiŽnt, en over eventuele alternatieven (art. 7:448). Bovendien dient deze informatie op een voor de betrokken patiŽnt duidelijke en begrijpelijke wijze te worden verschaft.

Indien de patiŽnt de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, dient de hulpverlener zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen na te komen jegens de ouders of voogd. Hij dient zo'n patiŽnt wel in te lichten op een wijze die past bij diens bevattingsvermogen.

De kwestie van de wilsbekwaamheid kan aan de orde komen bij patiŽnten van 12 jaar en ouder. Indien een minderjarige patiŽnt van 12 jaar of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, dient de hulpverlener zijn verplichtingen na te komen jegens de ouders of voogd. De verplichtingen jegens een meerderjarige patiŽnt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dient de hulpverlener na te komen jegens de wettelijke vertegenwoordiger (d.w.z. de curator en de mentor), of als de patiŽnt geen wettelijke vertegenwoordiger heeft, jegens de persoon die door de patiŽnt schriftelijk gemachtigd is. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt deze niet op, (de meerderheid van de gevallen) dan behorende verplichtingen te worden nagekomen jegens de echtgenoot of andere levensgezel van de patiŽnt, tenzij zodanige persoon dat niet wenst. Indien ook zodanige persoon ontbreekt, worden de verplichtingen nagekomen jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiŽnt, tenzij deze persoon dat niet wenst (art. 7:465).

TERUG NAAR DE INDEX

Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

DeWet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) regelt de onvrijwillige opname en het verblijf in psychiatrische ziekenhuizen, inrichtingen voor verstandelijk gehandicapten, psychogeriatrische verpleeghuizen alsmede in psychiatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen. De BOPZ is van toepassing op 24-uurs opname en betreft dus de intramurale zorg. Voor andere vormen van opname - en tijdelijk verblijf - geldt de WGBO.

De kwestie van de wilsbekwaamheid speelt in de BOPZ een rol bij de opname en bij de behandeling van de patiŽnt. Een van de criteria voor een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis - naast de stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken, dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend - is dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opname en twaalf jaar of ouder is.

Over de behandeling bepaalt de BOPZ het volgende. Het uitgangspunt van de wet is dat behandeling alleen kan plaatsvinden op grond van een behandelingsplan waarmee de patiŽnt, of, indien de behandelend arts beslist dat er sprake is van wilsonbekwaamheid, zijn vertegenwoordiger instemt.

Ook volgens de BOPZ is sprake van wilsonbekwaamheid "indien de patiŽnt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake van de voorgestelde behandeling".

Zonder instemming van patiŽnt of vertegenwoordiger kan in beginsel geen behandeling plaatsvinden. Bij verzet van de patiŽnt kan geen behandeling worden toegepast, ook niet als deze niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake en er wel overeenstemming is met de vertegenwoordiger. Alleen voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de patiŽnt of anderen, voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden, mag dan het behandelingsplan worden toegepast. Wanneer sprake is van verzet tegen een behandeling door een patiŽnt, komt de vraag of de patiŽnt wilsonbekwaam of wilsbekwaam is dus niet aan de orde.

Dat geldt ook voor de toepassing van zogenoemde middelen en maatregelen als bedoeld in artikel 39 BOPZ. Het behandelingsplan heeft tot doel de stoornis zodanig te verbeteren dat het gevaar dat aan de opneming ten grondslag heeft gelegen, wordt weggenomen. Het plan heeft dan ook geen betrekking op andere behandelingen zoals de behandeling van somatische aandoeningen, behoudens die gevallen waarin een nauwe relatie bestaat tussen de geestelijke stoornis en de lichamelijke aandoening. In beginsel zal de WGBO in de grote meerderheid van de gevallen de oplossing kunnen bieden voor de behandeling van somatische aandoeningen, omdat dan met plaatsvervangende toestemming van de vertegenwoordiger kan worden gewerkt. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal moeten worden teruggevallen op de BOPZ. In dat geval mag de behandeling bij verzet van de patiŽnt dus niet worden toegepast, tenzij voldaan is aan de BOPZ-criteria voor dwangbehandeling (art. 38 lid 5 BOPZ).

TERUG NAAR DE INDEX

Voor de behandeling van somatische aandoeningen die niet in verband staan met de onvrijwillige opneming, geldt deWGBO.

Wanneer een patiŽnt niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, zal plaatsvervangende toestemming verkregen moeten worden. De plaatsvervangende toestemming van de vertegenwoordiger is op grond van de WGBO voldoende om een behandeling te doen plaatsvinden. Indien de vertegenwoordiger een beslissing neemt die de hulpverlener niet kan verenigen met de zorg van een goed hulpverlener, zal de hulpverlener echter moeten afwijken van de beslissing van de vertegenwoordiger.

Gefundeerd verzet van de patiŽnt tegen een behandeling zal een belangrijke rol spelen bij de oordeelsvorming van de arts of nakoming jegens de vertegenwoordiger wel verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. Bij die afweging, die in zo'n geval gemaakt zal moeten worden, zal het gevaar dat het niet behandelen veroorzaakt voor de patiŽnt, ongetwijfeld een grote rol spelen.

Verzet de patiŽnt van twaalf jaar of ouder zich (gefundeerd) tegen een verrichting van ingrijpende aard, waarvoor de ouders, de curator, de mentor dan wel de gemachtigde, de echtgenoot of andere levensgezel, of een ouder, kind, broer of zus van de patiŽnt toestemming heeft gegeven, dan kan die verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiŽnt te voorkomen (art. 465, lid 6 Boek 7 BW).

De BOPZ bevat een regeling voor de rechterlijke machtiging op eigen verzoek. Personen die lijden aan een stoornis van de geestvermogens en een gevaar veroorzaken en die tevens bereid zijn om een behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis te ondergaan, kunnen een verzoek bij de officier van justitie indienen. Voor minderjarigen geldt dat wanneer zij "voldoende inzicht hebben in de eigen situatie" zij zelf de rechterlijke machtiging kunnen verzoeken.

In artikel 41 van de BOPZ wordt de patiŽnt, elke andere in het ziekenhuis verblijvende patiŽnt, echtgenoot, ouders, familie en voogd of curator/mentor de mogelijkheid gegeven, te klagen over de beslissing van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon dat de patiŽnt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling.

Wet inzake mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

De kwestie van de wilsbekwaamheid speelt ingevolge deze wet, die de niet-vermogensrechtelijke vertegenwoordiging van meerderjarige onbekwamen regelt, allereerst een rol bij de instelling van het mentorschap. De kantonrechter kan een mentorschap slechts instellen, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van nietvermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen (art. 1:450 BW).

TERUG NAAR DE INDEX

Tijdens het mentorschap is degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453). Met betrekking tot dergelijke rechtshandelingen wordt de betrokkene vertegenwoordigd door zijn mentor. De mentor is er echter wel toe gehouden de betrokkene zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken.

De mentor bevordert dan ook dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht (art. 1:454).

Ook nadat het mentorschap eenmaal is ingesteld, blijft de kwestie van de wilsbekwaamheid dus voortdurend van belang. Het is de taak van de mentor om tijdens het mentorschap de bekwaamheid van de betrokkene te beoordelen.

Curatele

Een meerderjarige kan door de rechtbank onder curatele worden gesteld, indien hij als gevolg van een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Daarnaast kan verkwisting of gewoonte van drankmisbruik een grond voor ondercuratelestelling vormen (art. 1:378BW).

Door de ondercuratelestelling wordt de curandus handelingsonbekwaam. De curator treedt als wettelijk vertegenwoordiger voor de curandus op, zowel ter behartiging van diens financiŽle alsook bepaalde persoonlijke belangen. Een curandus is echter bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator.

Ook is de curandus bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze bestemming te beschikking. Het is derhalve aan de curator te beoordelen, of de curandus bekwaam kan worden geacht om bepaalde rechtshandelingen (met toestemming) zelf te verrichten. Dit is te meer van belang omdat de curator - evenals de mentor - moet bevorderen dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht als hij daartoe in staat kan worden geacht. Ook gedurende de curatele moet de curator de bekwaamheid van de curandus dus beoordelen.

In geval van ondercuratelestelling op grond van verkwisting of gewoonte van drankmisbruik is de taak van de curator beperkter. De curandus blijft dan namelijk bekwaam tot het verrichten van familierechtelijke handelingen voor zover de wet niet anders bepaalt (art. 1:382 BW).

Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen

lndien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter een bewind instellen over ťťn of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (art. 1:431 BW).

Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder. Voorts kan de rechthebbende tijdens het bewind slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken.

De bewindvoerder heeft voor een aantal handelingen de toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, de machtiging van de kantonrechter nodig (art. 1:441 lid 2 BW).

De bekwaamheid van betrokkene wordt dus beoordeeld door de bewindvoerder en de kantonrechter.

Het maken van een testament

Artikel 4:942 BW bepaalt dat men voor het maken of het herroepen van een testament zijn verstandelijke vermogens moet bezitten. Deze bekwaamheid moet worden beoordeeld naar het moment waarop de uiterste wil wordt gemaakt.

De bekwaamheid moet primair door de notaris worden beoordeeld.

TERUG NAAR DE INDEX