Wetgeving en het verpleeghuis

Inleiding:

Dit artikel geeft een kort overzicht van de wetgeving die van belang is bij de opname en behandeling van patiŽnten in het verpleeghuis.

Het artikel is van de hand van T. van de Gronde, en geschreven ten behoeve van het co-assistenten onderwijs.

Het gaat hier over een complexe materie, die door de verwevenheid van juridische en medische concepten soms in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is.


Ik zal in dit artikel alleen de Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst (WGBO) en de Wet Bijzondere Opnamen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) behandelen.

Ik zal geen aandacht schenken aan de diverse klachtenregelingen.

Waarover gaat het dan wel?

Als arts (en als co-assistent) kom je veelvuldig in aanraking met patiŽnten waarbij vragen ontstaan met betrekking tot de uitvoering van deze twee wetten. Belangrijke gezichtspunten daarbij zijn:

Aan elk van deze gezichtspunten zal ik een hoofdstuk wijden.

  1. Reikwijdte.
  2. Voor de WGBO geldt dat hij voor alle arts-patiŽntcontacten van toepassing is. De wet beschrijft een civielrechterlijke overeenkomst, een bijzondere vorm van de overeenkomst van opdracht.

    Er is een relatie met het Burgerlijk Wetboek.

    De WGBO stelt dat er voor elke behandeling een informatieplicht en een toestemmingsvereiste bestaat. De arts moet de patiŽnt goed voorlichten en de patiŽnt moet op grond van een eigen afweging toestemming geven. Een ander belangrijk punt is dat de arts van de behandelingen aantekeningen maakt, dus een medisch dossier bijhoudt.

    De BOPZ heeft een veel beperktere reikwijdte.

    Deze wet geldt alleen voor patiŽnten die onvrijwillig zijn opgenomen in met name genoemde-in een aanhangsel van de wet- instellingen. In de praktijk zijn dit de psychiatrische ziekenhuizen en de psychogeriatrische (afdelingen van) verpleeghuizen. Als een patiŽnt vrijwillig is opgenomen in ťťn van deze instellingen, geldt voor hem de wet BOPZ niet. Voor deze patiŽnten geldt de WGBO alleen, terwijl voor onvrijwillig opgenomen patiŽnten beide wetten tegelijk gelden. Dit is mogelijk, omdat in de wet BOPZ een aantal regelingen zijn opgenomen die veel beperkter van aard zijn dan die van de WGBO, die voor alle behandelingen geldt. Zo schrijft de wet BOPZ voor dat er een dossier bijgehouden wordt over de stoornis in verband waarmee de patiŽnt is opgenomen. Je zou dus kunnen zeggen dat wet BOPZ "bovenop"de WGBO komt.

    Onvrijwillig opgenomen betekent dat er een procedure gevolgd moet worden voor de opname in de BOPZ-instelling. Dit kan zijn een IBS (in bewaring stelling) een RM (rechterlijke machtiging) en een artikel 60 procedure. Bij alle procedures is het uitgangspunt dat er gevaar aanwezig moet zijn, voor de patiŽnt zelf of voor een ander. IBS wordt door de burgemeester verleend, RM door de rechter, en de artikel 60 procedure door een indicatie-orgaan. De artikel 60 procedure geldt speciaal voor psycho-geriatrische patiŽnten, de IBS en RM procedures gelden voor zowel psychiatrische als psychogeriatrische patiŽnten.

    Als iemand volgens ťťn van deze drie procedures is opgenomen gelden voor hem een extere en een interne rechtspositie, die afwijkt van die van andere mensen. Extern betekent: hij zit vast, kan niet zonder meer naar buiten. Intern betekent: dwangbehandeling en allerlei vrijheidsbeperking kan worden opgelegd.

  3. Wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging
  4. PatiŽnten kunnen wilsonbekwaam zijn. Dit betekent dat zij niet goed in staat zijn een oordeel te vormen over de informatie die door de behandelend arts verschaft wordt, zodat het al of niet verlenen van toestemming voor een behandeling niet meer gezien kan worden als een uitdrukking van hun wil. Dit verschijnsel treedt natuurlijk op bij beide wetten, en in beide wetten staat dan ook vermeld hoe de vertegenwoordiging in dat geval moet worden geregeld. Gelukkig komen de regelingen in beide wetten vrijwel overeen.

    Het is de behandelend arts die beoordeelt of de patiŽnt wilsonbekwaam is. Verder is belangrijk dat je kunt spreken van een mate van wilsonbekwaamheid. Afhankelijk van de geestelijke toestand, bijvoorbeeld lichte of ernstige dementie, kan een patiŽnt voor sommige eenvoudige beslissingen nog wel wilsbekwaam zijn, maar voor andere meer complexe beslissingen over behandelingen niet. Wilsbekwaamheid is in juridische zin een proportioneel begrip.

    De arts zal dus telkens moeten nagaan of dťze patiŽnt in dťze situatie wilsbekwaam is.

    Is er sprake van wilsonbekwaamheid bij de patiŽnt, dan zal de arts overleg moeten voeren met een vertegenwoordiger van de patiŽnt. Hierbij zal de arts zich ervan moeten vergewissen dat de vertegenwoordiger de belangen van de patiŽnt op het oog heeft, dus een goed vertegenwoordiger is.

    Heeft de arts de sterke indruk of een bewijs dat dat niet het geval is, dan kan hij de vertegenwoordiger bij de besluitvorming over een behandeling passeren.

    Wie kan vertegenwoordiger zijn? Hiervoor is een volgorde aangegeven door beide wetten.

    Allereerst komt een door een rechter aangewezen persoon, dit kan zijn een curator of een mentor.

    Is die er niet dan kan het ook een schriftelijk door de patiŽnt, in een eerder stadium, gemachtigde zijn.

    De schriftelijke machtiging moet blijken uit een door de patiŽnt ondertekend stuk.

    Zijn deze vertegenwoordigers er niet, of willen ze niet (meer), dan is de partner de vertegenwoordiger.

    Dit is vaak het geval. Is de partner er niet, of wil of kan hij niet, dan volgen of ouders, kinderen, broers of zussen in deze volgorde. Andere personen kunnen dus nooit vertegenwoordiger in de zin der wet zijn. Belangrijk probleem is dat de wet niet aangeeft hoe er gekozen moet worden tussen meer broers, zussen en kinderen, terwijl dit in de praktijk vaak tot discussies leidt.

    Er wordt verschillend gedacht over of de toestemming voor een behandeling door de vertegenwoordiger schriftelijk bevestigd moet worden. Strikt volgens de wet hoeft dit niet, maar wel is het verplicht dat de arts aantekening maakt van het besprokene en de toestemming.


    TERUG NAAR INDEX
  5. Procedures
TERUG NAAR INDEX