CVA

Tenminste 10 % van alle CVA patiënten gaat vanuit het ziekenhuis naar een verpleeghuis voor revalidatie. Het revalidatieproces neemt vele maanden in beslag. Tijdens het proces wordt de patiënte, zijn partner, en het personeel geconfronteerd met velerlei uitval.

In de onderstaande tekst ontleend aan de Nederlandse Hartstichting…..wordt duidelijk ingegaan op deze gevolgen van een CVA


Tekst (7585 woorden):

2. Gevolgen van een beroerte

Het scala aan mogelijke gevolgen van een beroerte strekt zich uit over alle functies van de hersenen. De gevolgen of stoornissen beperken een patiënt in zijn dagelijkse functioneren in verschillende gebieden of domeinen. Binnen de revalidatie is een methode ontwikkdd om op systematische en gestructureerde wijze informatie te registreren over de beperkingen van een patiënt. Deze methode, het Revalidatie Activiteiten Profiel (RAP), onderscheidt vijf domeinen: communicatie, mobiliteit, persoonlijke verzorging, dagbesteding en rdaties.

In dit hoofdstuk is bij de beschrijving van de gevolgen van een beroerte deze indeling gevolgd. Aan de domeinen van het RAP zijn nog drie gebieden toegevoegd:

  1. stoornissen in cognitie, emotie en gedrag,
  2. vermoeidheid en uithoudingsvermogen en
  3. basisfuncties en vaardigheden.

De werkgroep is van mening dat de gevolgen van veranderingen op gebied van cognitie, emoties en gedrag grote invloed hebben op het functioneren van de patiënt met een beroerte en wijdt daarom een aparte paragraaf aan deze gevolgen. Bovendien krijgt dit onderwerp in de bestaande richtlijnen tot nu toe weinig aandacht.

Per domein worden in dit hoofdstuk de beperkingen en mogelijke onderliggende stoornissen beschreven voor zover ze relevant zijn voor de revalidatie. Tenslotte wordt aandacht besteed aan mogdijke complicaties na een beroerte. Hoofdstuk 5 over de inhoud van de revalidatie hanteert dezelfde indeling als dit hoofdstuk.

 

2.1. Cognitie, emotie en gedrag

Na een beroerte kunnen stoornissen optreden in cognitie, emotie en gedrag. De beperkingen die door deze stoornissen ontstaan, veroorzaken vaak grote problemen bij patiënten, hun naasten en behandelaars.

Wanneer het cognitief functioneren beperkt is, kunnen stoornissen ontstaan in:

1. oriëntatie in persoon, plaats, tijd en ruimte

2. aandacht en tempo van informatieverwerking

3. mentale (lichamelijke) belastbaarheid

4. geheugen/leervermogen

5. waarneming

6. praxis

7. visuoconstructieve functies

8. executieve functies

9. intelligentie

10. taal

Stoornissen op het gebied van cognitie, emotie en gedrag kunnen een negatieve invloed hebben op:

1. de motivatie voor of de mogelijkheid tot deelname aan een revalidatiebehandeling

2. het herstelverloop

3. het zelfstandig uitvoeren van dagelijkse handelingen

4. de relatie met de partner

5. het sociaal functioneren/tijdsbesteding

6. de arbeidsreïntegratie

Bij de terugkeer naar het oude leven spelen, naast neuropsychologische en lichamelijke factoren, ook ander factoren een belangrijke rol, zoals leeftijd, premorbide sociaal functioneren, premorbide persoonlijkheidsaspecten, copingvaardigheden (de wijze waarop iemand met problemen omgaat), de draagkracht van patiënt en directe omgeving, en de compensatiemogelijkheden.

De meest voorkomende beperkingen door cognitieve stoornissen na een beroerte worden hieronder beschreven.

2.1.1. Oriëntatie

Oriëntatie is het bewustzijn van zichzelf in relatie tot de omgeving. Bij het oriëntatievermogen kan onderscheid worden gemaakt in de oriëntatie in:

2.1.2. Aandacht

Aandacht speelt een belangrijke rol bij het waarnemen, denken, handelen en (her)leren van vaardigheden. Ongeveer 40% van de CVA-patiënten vertoont in meer of mindere mate stoornissen en beperkingen in de aandachtsfuncties. Bij de aandachtsfuncties speelt het tempo van informatie-verwerking een belangrijke rol. Een vertraging van het tempo van informatieverwerking vormt een belangrijk probleem bij veel CVA-patiënten. Ongeveer 70% van de patiënten heeft moeite om onder tijdsdruk goed te handelen. Ook onder normale omstandigheden kan een verminderd tempo van informatieverwerking een negatieve invloed hebben op de aandachtsfuncties, het geheugen en de organisatie en de planning van het gedrag. Een vertraagd tempo bij het verwerken van informatie is merkbaar wanneer er bijvoorbeeld opvallend veel tijd verloopt voordat de patiënt reageert op een vraag of opdracht.

Bij aandacht kan onderscheid worden gemaakt in:

activatie- of arousalniveau, gerichte aandacht, verdeelde aandacht en volgehouden aandacht.

Activatie- of arousalniveau

Iemand presteert optimaal wanneer het activatie-, arousal-, of alertheidniveau gemiddeld is. Bij onverwachte prikkels is men in staat het activiteitenniveau te verhogen of langere tijd op voldoende hoog niveau te houden.

Patiënten met een verminderd activatieniveau vallen regelmatig in slaap wanneer zij niet geactiveerd worden, of de aandacht vermindert opvallend tijdens handelingen of een gesprek. Patiënten met een verhoogd activatieniveau zijn onrustig, kunnen moeilijk stilzitten, zijn prikkelbaar en voortdurend op zoek naar nieuwe stimuli.

Gerichte (selectieve) aandacht

Bij een goede gerichte aandacht richt men de aandacht op een taak en laat men zich niet afleiden door onbelangrijke prikkels. Bij stoornissen in de gerichte aandacht is de patiënt niet of onvoldoende in staat om irrelevante of minder relevante informatie te onderdrukken.

Van een verhoogde afleidbaarheid is sprake wanneer de patiënt zich tijdens de therapie of het uitvoeren van handelingen regelmatig laat afleiden door onbelangrijke prikkels zoals voetstappen op de gang, een medepatiënt of een voorbij rijdende auto. Een verminderde gerichte aandacht zal eerder naar voren komen in een drukke of meer complexe omgeving. Deze aandachtstoornissen zijn met objectief testonderzoek nauwelijks aantoonbaar en kunnen het beste in praktische situaties geobserveerd worden.

verdeelde aandacht

Verdeelde aandacht is de mogelijkheid om te reageren op meer dan een taak tegelijkertijd, of op verschillende elementen tegelijkertijd binnen een complexe taak, of meerdere geautomatiseerde taken naast elkaar uit te voeren. Deze capaciteit is verminderd naarmate het tempo van informatie-verwerking is vertraagd. Daarnaast kunnen vele vaardigheden niet meer automatisch uitgevoerd worden waardoor basisvaardigheden zoals het handhaven van de balans of het begrijpen van talige informatie soms veel capaciteit van de aandacht vragen. De patiënt kan daardoor bijvoorbeeld niet meer een gesprek voeren tijdens lopen, activiteiten van het dagelijks leven (ADL) of oefeningen.

volgehouden aandacht

Bij een ongestoorde volgehouden aandacht kan men de aandacht voor de duur van een (deel)activiteit gericht vasthouden, bijvoorbeeld tijdens een gesprek of oefening.

Bij testonderzoek kan de patiënt het werktempo aanpassen aan de vereisten van de taak. Bij relatief korte testonderdelen van bijvoorbeeld vijftien minuten kunnen volgehouden aandachtsstoornissen niet altijd gedetecteerd worden. In het dagelijks leven speelt tijdsdruk en een veelheid aan informatie een grotere rol dan in de testkamer. Deze stoornissen komen daardoor eerder in het dagelijks leven naar voren en uiten zich vaak in een versnelde vermoeibaarheid en een verminderde energie. Een verminderde energie (mentale en fysieke belastbaarheid) wordt frequent genoemd door patiënten en familieleden, wanneer zij eenmaal thuis wonen.

2.1.3. Geheugen

Het geheugen is het vermogen om informatie op te slaan (inprenten), te bewaren (onthouden) en later weer toe te passen, zowel bij reproduceren (opdiepen/recall), als bij herkennen (recognitie). Geheugenstoornissen komen zeer frequent voor bij CVA-patiënten. Ze belemmeren de revalidatie bij het aanleren of herleren van nieuwe vaardigheden. Voor de klinische praktijk is het handig om uit te gaan van de indeling: aanleren (inprenten en onthouden), herinneren (opdiepen) en herkennen. Er bestaan vele visies op de werking van het geheugen en op de indelingen die daaruit voortvloeien. Het voert in dit kader te ver deze te bespreken. Hier wordt de meest gebruikte indeling gegeven, omdat dit bij het herleren van vaardigheden van belang kan zijn.

1. Korte termijn geheugen (werkgeheugen). In de dagelijkse communicatie over geheugenstoornissen bestaan over het begrip 'korte termijn geheugen' nogal wat misverstanden. Het korte termijn geheugen heeft betrekking op het kort-durend vasthouden van informatie (hoogstens een paar minuten) in het geheugen, bijvoorbeeld een telefoonnummer of een opdracht of mededeling. Veel mensen refereren echter aan deze term wanneer zij in feite het opslaan van nieuwe informatie in het lange termijn geheugen bedoelen.

2. Lange termijn geheugen. Door herhaling of diepere verwerking kan informatie uit het korte termijn geheugen opgeslagen worden in het lange termijn geheugen. De capaciteit van het lange termijn geheugen is in principe onbeperkt.

Het lange termijn geheugen kan worden onderscheiden in het:

1. Declaratief of expliciet of bewust geheugen. In het declaratief geheugen wordt vooral kennis bewaard die meer of minder bewust wordt afgeleid uit ervaringen en gebeurtenissen. Deze ervaringen worden meestal niet bewust maar 'vanzelf' opgeslagen. Bijvoorbeeld: men kan zich herinneren wat men vorige week heeft gedaan of men onthoudt de woorden uit een geheugentest (episodisch geheugen), men kent de betekenis van een woord (semantisch geheugen) of men herinnert zich een plan of een voornemen (prospectief geheugen).

2. Procedureel of automatisch geheugen. De wijze waarop vaardigheden worden geleerd en onthouden noemt men het procedureel geheugen. Dit gebeurt min of meer automatisch. Dit geheugen is dan ook maar zeer beperkt voor het bewustzijn toegankelijk en heeft vooral betrekking op het leren van motorische vaardigheden. Bijvoorbeeld: iemand kan trap lopen, zonder zich te herinneren hoe of wanneer hij dit heeft geleerd.

Voor de revalidatie kan bovenstaand onderscheid belangrijk zijn. Een goed declaratief geheugen is belangrijk bij het aanleren of herleren van vaardigheden waarbij bewuste organisatie en planning een rol spelen zoals bij het vinden van een route, koken, aankleden, hobbyactiviteiten, agenda-beheer of het onthouden van afspraken. De patiënt weet dat hij iets nieuws moet leren, moet de nieuwe informatie min of meer bewust in het geheugen opslaan (of opschrijven), zodat deze informatie op een later moment toegepast kan worden. Bij het aanleren of inslijpen van veel motorische vaardigheden is het procedureel geheugen betrokken. Dit betekent dat ook patiënten met ernstige stoornissen in het declaratieve geheugen in staat zijn om niet al te complexe motorische vaardigheden en volgordes in handelingen aan te leren, waarbij geen organisatie en planning vooraf nodig zijn, door veelvuldig herhalen (inslijpen). De patiënt hoeft zich er niet bewust van te zijn dat hij de vaardigheid beheerst om deze toch te kunnen uitvoeren. Bijvoorbeeld, de patiënt krijgt dagelijks dezelfde adviezen voor het uitvoeren van transfers. De patiënt onthoudt uit zichzelf niet welke aanwijzingen hij heeft gekregen om een transfer goed uit te voeren, maar door het consequent herhalen op dezelfde wijze door iedereen, blijkt toch dat de patiënt de adviezen onbewust steeds vaker gaat toepassen.

2.1.4. Waarneming

De waarneming verschaft informatie over de buitenwereld via de zintuigen (zien, horen, voelen, ruiken, proeven). Afhankelijk van de plaats en de aard van de beschadiging in de hersenen kunnen verschillende stoornissen in de waarneming optreden, zoals een agnosie.

Een agnosie is een stoornis in het herkennen van bekende stimuli van de zintuigen. De stoornis berust niet op een defect van de zintuigen zelf en kan optreden in alle modaliteiten. Zo kan het voorkomen dat iemand bij een visuele agnosie een voorwerp wel herkent door de tastzin, maar niet via de visuele input. Of hij herkent een persoon niet via het visuele kanaal, maar wel aan de stem. In de praktijk is het niet eenvoudig om agnosieën vast te stellen, met name door de mogelijke verwarringen met afasie en/of apraxie. Bovendien kan iemand met een agnosie buiten een testsituatie soms wel adequaat gedrag vertonen in het dagelijks leven. Hoewel er getwijfeld wordt aan het bestaan van een zuivere agnosie, is het toch zinvol om de meest genoemde agnosieën te vermelden: auditieve agnosie, visuele agnosie en somatosensorische agnosie. Naast agnosieën bestaan er ook andere waarnemingsstoornissen. Neglect en visuoruimtelijke stoornissen komen veel voor na een beroerte en worden daarom uitvoeriger toegelicht. Hoewel neglect eigenlijk beschouwd moet worden als een aandachtsstoornis is er toch voor gekozen om het hier te vermelden onder 'waarneming'.

Neglect

Hemineglect, hemi-inattentie, visuoruimtelijke agnosie en nog vele andere termen bestaan er voor attentiestoornissen waarbij de ruimte of het lichaam contralateraal aan de laesie wordt verwaarloosd. De term 'neglect' wordt het meest gebruikt. Neglect komt in het acute stadium voor bij ongeveer 70% van de CVA-patiënten met een beroerte in de rechter hemisfeer, maar ook bij ongeveer 50% van de patiënten met een beroerte in de linker hemisfeer. Neglect komt niet alleen meer voor, maar is ook ernstiger na een laesie in de rechter hemisfeer dan na een laesie in de linkerhemisfeer. Rechtszijdig neglect kan tijdens de revalidatiefase wel van invloed zijn. Ook worden ipsilaterale inattentiestoornissen in de literatuur vermeld.

Een belangrijk kenmerk van neglect is dat de patiënt zich niet of onvolledig bewust is van de verminderde aandacht voor de contralaterale zijde. Vaak zal de patiënt zelfs contralaterale defecten als een ernstige parese volledig ontkennen. In dat geval spreekt men van anosognosie. In de herstel-fase geeft hij soms wel aan 'dat hij links minder goed ziet' of 'dat anderen vinden dat hij links minder goed ziet; maar dit betekent niet dat hij vervolgens zijn stoornissen zal compenseren of de consequenties van het neglect kan overzien voor het dagelijks leven. Het niet onderkennen van stoornissen of niet kunnen overzien van de gevolgen blijkt in het revalidatieproces een van de meest belemmerende factoren te zijn voor herstel en is een belangrijke negatieve prognostische factor voor het toekomstig functioneren. Dit geldt overigens ook voor een anosognosie van andere (cognitieve) stoornissen.

Bij teambesprekingen over neglect is het belangrijk dat teamleden over hetzelfde spreken. In de praktijk blijkt dat observaties over een patiënt niet altijd overeenkomen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat teamleden de patiënt in verschillende situaties meemaken en zij mogelijk over verschillende vormen van neglect spreken. Neglect kan namelijk optreden in verschillende modaliteiten. Het bestaan van verschillende vormen van neglect wordt echter niet door ieder onderzoek ondersteund en ze komen in de klinische praktijk zelden onafhankelijk van elkaar voor, zeker niet in de acute fase. Bovendien kan de ernst van de verschijnselen van neglect sterk fluctueren, met name wanneer neglect herstellende is. Deze fluctuaties zijn afhankelijk van de omstandigheden: wordt er veel aandacht en concentratie gevraagd, is de patiënt vermoeid, etc.

Voor de teamcommunicatie is het zinvol een aantal uitingsvormen te onderscheiden, zoals sensorisch/ perceptueel neglect, motorisch neglect, en rekening te houden met de omstandigheden waaronder neglect optreedt.

sensorisch/perceptueel neglect

Bij sensorisch of perceptueel neglect reageert de patiënt niet of trager op visuele, auditieve of tactiele prikkels die van de contralaterale zijde worden aangeboden.

Bijvoorbeeld: een patiënt met een neglect aan de linkerzijde:

1. eet de linker helft van zijn bord niet leeg,

2. vraagt om koffie, terwijl het kopje koffie al links van hem staat,

3. vergeet de veters van de linker schoen te strikken,

4. slaat bij het lezen woorden links in een tekst over,

5. botst bij het lopen of rijden steeds links tegen deurposten of voorwerpen,

6. kijkt alleen naar mensen die rechts van hem zitten,

7. reageert niet of trager wanneer hij van links wordt aangesproken,

8. reageert niet of nauwelijks op aanrakingen links, terwijl er geen sprake is van sensibiliteitsstoornissen.

Motorisch neglect

Een patiënt met een motorisch neglect maakt geen of onvoldoende gebruik van de zijde van het lichaam contralateraal aan de laesie, terwijl dit motorisch gezien wel mogelijk is, of hij beweegt de gezonde arm minder naar de contralaterale zijde of voert een dergelijke beweging duidelijk trager uit. Bijvoorbeeld: een patiënt met een motorisch neglect aan de linkerzijde:

1. zit scheef in de stoel,

2. vergeet het linker been tijdens het lopen,

3. gebruikt de linker arm /hand niet goed tijdens handelingen,

4. draait het hoofd en/of de ogen niet of onvoldoende naar links.

Extinctie

Men spreekt van extinctie wanneer één kant niet of trager wordt waargenomen of ingeschakeld na het tegelijkertijd stimuleren of activeren van beide gezichtsvelden en/of beide lichaamshelften. Bijvoorbeeld: een patiënt met extinctie aan de linkerzijde:

1. reageert wel op mensen die links van hem zitten, maar doet dit minder of niet wanneer er ook mensen rechts van hem zitten,

2. ziet een auto van links wel aankomen, maar neemt deze niet of later waar wanneer rechts ook een auto rijdt,

3. voelt prikkels in de linker lichaamshelft wel, maar niet of trager wanneer ook tegelijkertijd de rechterkant wordt aangeraakt,

4. zal de linkerarm niet of later gebruiken wanneer gelijktijdig ook de rechterarm ingeschakeld moet worden.

Omgeving en lichamelijke activiteit

Het is belangrijk om na te gaan in welke situatie het neglect optreedt. Het komt voor dat het neglect vermindert wanneer de patiënt een actievere houding aanneemt. Een patiënt in een rolstoel botst bijvoorbeeld tegen deurposten aan. Dezelfde patiënt blijkt nauwelijks tegen objecten te botsen als hij eenmaal kan lopen. Bij een patiënt die ogenschijnlijk hersteld is van het neglect, kan het neglect opnieuw naar voren komen in meer complexe situaties of bij vermoeidheid of ziekte. Het is belangrijk de directe omgeving hierover voor te lichten.

Van belang is of neglect optreedt onder verschillende omstandigheden:

1. treedt het neglect op in de

1.1. lichaamsnabije ruimte: de patiënt heeft zich links 'slordiger' gekleed dan rechts of de knoopjes zitten scheef, links is minder goed geschoren dan rechts, hij veegt zijn gezicht links niet af of zijn bril zit links niet goed op het oor,

1.2. grijp- en reikruimte: de patiënt laat zijn koffie links staan, hij vindt de pen die links van hem ligt niet of zij ziet de asbak !inks niet staan,

1.3. actieruimte: de patiënt botst met de rolstoel tegen de deurpost, hij rijdt tegen obstakels aan, hij neemt geen actie om aankomende mensen te vermijden of hij is geneigd meestal rechtsaf te slaan,

2. bij stilstaande objecten of bewegende stimuli,

3. in een rustige, drukke of complexe omgeving,

4. bij staan, zitten, lopen of liggen,

5. bij vermoeidheid of stress,

6. bij bepaalde medicatie.

2.1.5. visuoruimtelijke stoornissen

Binnenkomende visuele informatie wordt in de hersenen opgesplitst in verschillende aspecten. Contour, vorm en kleur dragen bij aan de herkenning van een object (objectherkenning). Afstand, diepte en beweging geven visueel-ruimtelijke informatie over een object. Visueel-ruimtelijke waarneming betreft het 'overzicht' over de wereld:

het weten waar iets is, schatten van grootte, afstand, snelheid en dergelijke. In het dagelijks leven spelen ruimtelijk waarnemen en handelen een belangrijke rol bij het aansturen van het motorisch handelen en de oriëntatie in de ruimte, zoals bijvoorbeeld bij traplopen in het donker, aan- en uitkleden, koffie inschenken, afstand inschatten bij het oversteken, klokkijken, een kamer inrichten, het richtingsgevoel, rekenen, tekenen en andere hobbyvaardigheden. CVApatiënten kunnen in meer of mindere mate problemen hebben met deze vaardigheden. Stoornissen in de ruimtelijke waarneming kunnen worden vastgesteld door neuropsychologisch onderzoek, tezamen met observaties uit het behandelteam.

2.1.6. Praxis

Praxis verwijst naar de bewuste controle over de integratie van motorische programma's die nodig zijn om complexe aangeleerde handelingen uit te voeren. Een apraxie is een stoornis in het doelgericht uitvoeren van geleerde en betekenisvolle activiteiten die niet terug te voeren is op primaire motorische stoornissen, sensibiliteitsstoornissen of stoornissen in het begrijpen, geheugen, bewustzijn of motivatie.

Bijvoorbeeld de patiënt:

1. kamt zijn haren met een tandenborstel,

2. schept koffie in de koffiepot in plaats van het filter,

3. trekt zijn sokken over zijn schoenen aan,

4. aarzelt of onderbreekt een handeling en weet niet meer hoe hij verder moet.

Een patiënt met een apraxie weet niet wát hij moet doen omdat het concept of het idee of het handelingsplan ontbreekt, of hij weet wel wát hij moet doen maar niet hóe hij het moet doen, omdat het toepassen van het juiste motorische programma verstoord is. Apraxie komt vooral voor na een hersenletsel in de linker hemisfeer (meestal pariëtaal), maar kan ook voorkomen bij andere laesies. De diagnose apraxie is vaak moeilijk te stellen, omdat het zeer vaak voorkomt met andere cognitieve stoornissen zoals afasie, neglect, agnosie en executieve stoornissen. Recent is een diagnostische procedure ontwikkeld. Dit onderzoek bestaat uit twee delen: een neuropsychologische apraxietest om de aanwezigheid en de ernst vast te stellen en ADL-observaties om de gevolgen voor het dagelijks leven te bepalen. De kwaliteit van het apraxieonderzoek is onderzocht en goed bevonden.

2.1.7. visuoconstructieve functies

Visuoconstructleve stoornissen zijn stoornissen in de ruimtelijke uitvoering bij activiteiten zoals bouwen, tekenen of iets in elkaar zetten, zonder dat er sprake is van een apraxie. Veel CVApatiënten hebben in meer of mindere mate problemen met vaardigheden waarbij de visuoconstructieve functies een rol spelen zoals knutselen, tekenen en andere handvaardigheden.

Ten gevolge van visuoconstructieve stoornissen kunnen veel patiënten hobbyactiviteiten niet meer uitvoeren zoals zij gewend waren. Soms bemerken patiënten zelf dat zij niet meer in staat zijn bepaalde handelingen te verrichten. Bij andere patiënten ontbreekt dit inzicht en zij zullen eerder aangeven 'geen belangstelling (meer) te hebben voor hobby-activiteiten'. Specifiek neuropsychologisch test-onderzoek kan duidelijk maken wat de onderliggende oorzaak is van de verminderde hobbyvaardigheden en/of de verminderde motivatie hiervoor.

2.1.8. Executieve functies

Op executieve functies wordt een beroep gedaan in omstandigheden waarbij niet terug gevallen kan worden op routines of automatismen en waarbij de situatie weinig gestructureerd is. Hierbij wordt de volgende indeling aangehouden:

1. Ziekte-inzicht: het besef van de gevolgen van het hersenletsel op het eigen functioneren. Bijvoorbeeld, de patiënt overschat de eigen mogelijkheden met als gevolg dat hij onveilige acties onderneemt.

2. Initiatief: het vermogen om doelen te stellen en uit zichzelf te beginnen met activiteiten. Bijvoorbeeld, de patiënt begint niet uit zichzelf een gesprek of schenkt niet uit zichzelf koffie in als er bezoek is.

3. Planning: het vermogen om doelgericht naar oplossingen te zoeken, de onderdelen van de gekozen oplossing in de goede volgorde te zetten en uit te voeren. De patiënt begint bijvoorbeeld met koken zonder van tevoren te bedenken welke spullen hij daarvoor nodig heeft.

4. Flexibiliteit: het vermogen om het gedrag of de oplossing van het probleem aan te passen aan veranderde omstandigheden. Bijvoorbeeld, wanneer de patiënt vastloopt bij een bepaalde handeling, kan hij geen andere oplossing bedenken en blijft op dezelfde verkeerde manier verder gaan.

5. Zelfinhibitie: het vermogen om impulsen te onderdrukken en het gedrag indien nodig uit te stellen. Bijvoorbeeld, de patiënt begint impulsief en ondoordacht aan activiteiten.

6. Zelfcontrole en zelfcorrectie: het vermogen om het eigen gedrag of de gekozen oplossing voor het probleem te evalueren of feedback van de omgeving te beoordelen en vervolgens het gedrag, indien nodig, aan te passen. Bijvoorbeeld, de patiënt bemerkt niet dat hij iets fout doet of als de omgeving hem daarop wijst, is hij niet in staat om zijn handelen te veranderen.

Bij een stoornis in de executieve functies is iemand niet meer in staat om adequaat voor zichzelf te zorgen. Hij kan niet meer (goed) zonder structuur van buitenaf (meer complexe) handelingen verrichten, of normale sociale relaties onderhouden, terwijl cognitieve vaardigheden zoals geheugen of taal intact kunnen zijn. Executieve stoornissen worden vaak geassocieerd met een disfunctioneren in de frontale gebieden. Door de vele verbindingen van en naar de frontale cortex kunnen ook laesies in andere gebieden executieve stoornissen veroorzaken.

Een patiënt die weinig initiatief neemt en weinig emoties toont, wordt wel eens als reactief depressief gediagnosticeerd, terwijl de verklaring eigenlijk gezocht moet worden in het hersenletsel zelf (executieve stoornis). Voordat een (medicamenteuze) behandeling van depressie wordt overwogen, moet een executieve stoornis voor het gedrag van de patiënt zijn uitgesloten.

2.1.9. Emotie en gedrag

Problemen in emoties en gedrag kunnen voortkomen uit een verminderd cognitief functioneren, maar dat is niet altijd zo. Bij stoornissen in emotie en gedrag kunnen de volgende problemen optreden:

1. initiatiefverlies,

2. emotionele labiliteit,

3. impulsiviteit/ontremming,

4. egocentrisch en aandachtvragend gedrag,

5. verminderde sociale vaardigheden,

6. agressiviteit,

7. depressiviteit,

8. angst,

9. prikkelbaarheid,

10. persoonlijkheidsveranderingen,

11. pathologisch verwerkingsproces.

De meest frequent genoemde emotionele problemen en gedragsveranderingen >50%), zowel door patiënten als door de mensen in zijn directe omgeving, zijn emotionele labiliteit, verminderd initiatief, prikkelbaarheid, veranderde seksualiteit en veranderingen in de persoonlijkheid. Meer dan 40% van de patiënten en de naastbetrokkenen rapporteren een toename in afhankelijkheid, depressieve stemming, egocentrisch gedrag en angst. Emotionele en gedragsmatige veranderingen kunnen zeer ingrijpend zijn voor zowel de patiënt als voor de directe omgeving.

Depressie komt frequent voor na een beroerte. In de eerste drie maanden na de beroerte treedt depressie op bij 25% van de CVA-patiënten. De arts en de psycholoog dienen hierop alert op te zijn. Een depressie moet onmiddellijk worden behandeld.

2.2. vermoeidheid en uithoudingsvermogen

vermoeidheid behoort tot de algemene verschijnselen na een beroerte die invloed hebben op het functioneren van de CVA-patiënten en die los staan van de gevolgen op de verschillende domeinen. Snelle vermoeidheid kan optreden bij lichamelijke, maar vooral ook bij mentale inspanning. Er moet rekening mee worden gehouden dat een snel optredende vermoeidheid kan blijven bestaan wanneer er klinisch een goed herstel is opgetreden. Recent zijn drie studies verschenen over vermoeidheid na een beroerte. Eén van deze studies maakte onderscheid tussen objectieve vermoeidheid, die meetbaar is bij de uitvoering van lichamelijke en neuropsychologische taken, en subjectieve vermoeidheid, bestaande uit een gevoel van uitputting zoals dat door patiënten zelf werd gerapporteerd.

Vermoeidheid komt zeer frequent voor na een beroerte. In een groep CVA-patiënten zei 68% dat ze last hadden van vermoeidheid, terwijl dat in een groep gezonde ouderen slechts 30% was. De vermoeidheid was niet gerelateerd aan de tijd die verstreken was na de beroerte, de ernst ervan of de lokalisatie. De aanwezigheid van vermoeidheid was onafhankelijk van depressie. De impact van de vermoeidheid op de functionele beperkingen werd wel sterk beïnvloed door de depressie. vermoeidheid kan nog lang na de beroerte optreden: so% van de CVA-patiënten zei dat ze twee jaar na de beroerte nog vermoeid waren.

Het fysiologische mechanisme van vermoeidheid is onduidelijk. Vermoeidheid kan een symptoom zijn van een depressie, van een verminderde lichamelijke conditie (inspanningsvermoeidheid, mogelijk door een stoornis) of een cognitieve stoornis (mentale traagheid).

2.3. Functies en basisvaardigheden

Onder dit domein vallen:

1. stoornissen in kracht en tonus (parese en spasticiteit)

2. somatosensorische stoornissen

3. problemen met arm-handvaardigheden

2.3.1. Stoornissen in kracht en tonus

Ongeveer 80-90% van de CVA-patiënten heeft kort na de beroerte een spastische parese in tenminste één van de ledematen. Na zes maanden heeft nog ongeveer de helft van de patiënten motorische uitval. Meestal is dat een halfzijdige verlamming (hemiparese of hemiplegie) waarbij doorgaans zowel spastische als paretische componenten bijdragen aan het motorische functieverlies. Spasticiteit moet klinisch worden onderscheiden van andere centraalmotorische stoornissen zoals rigiditeit, dystonie en athetose. Hoewel de pathogenese van spasticiteit nog onduidelijk is, toont onderzoek aan dat de oorzaak multifactorieel is met zowel neurologische veranderingen, zoals toename in excitabiliteit van het alpha-motoneuron, als biomechanische veranderingen, zoals veranderde visco-elasticiteit van het bewegingsapparaat. Bij patiënten met een beroerte bestaat er een sterke relatie tussen het verlies van de functionaliteit en de ernst van parese (negatieve symptomen van spasticiteit). Hyperreflexie is veel minder duidelijk gerelateerd aan functionaliteit.

2.3.2. Somatosensorische stoornissen

Er zijn nog nauwelijks studies gedaan naar het vóórkomen en de betekenis van het verlies van somatosensoriek na een beroerte. Deze lacune in de literatuur wordt mede veroorzaakt door een gebrek aan meetinstrumenten waarmee op klinisch eenvoudige wijze sensibiliteit betrouwbaar en valide kan worden onderzocht. Desalniettemin tonen verschillende onderzoeken met somato-sensory evoked potentials (SSEP) aan dat een afwezige respons na prikkeling van de nervus medianus van de paretische arm samen gaat met een ongunstiger motorisch herstel. Aangenomen wordt dat een verminderde of afwezige somatosensibiliteit een onafhankelijke determinant is voor het motorisch herstel van de arm na zes maanden. Bij het paretische been kon deze relatie niet worden aangetoond. Waarschijnlijk is bij somatosensorische stoornissen het herstel van de functionaliteit minder gunstig en vooral trager. Ook andersom blijkt dat training van somatosensoriek met vibratie, transcutane elektrostimulatie of (elektro-) acupunctuur een gunstig effect heeft op het motorisch herstel. Constrained induced movement therapie (ook wel 'forced use' genoemd) heeft grotere effecten bij patiënten met somatosensorische stoornissen dan bij patiënten zonder deze stoornissen. Dit laatste suggereert dat het zogenaamde 'learned-non use' principe het meest uitgesproken is bij patiënten met sensibiliteitsstoornissen van de paretische arm.

2.3.3. Arm-handvaardigheidsproblemen

Vroegtijdig ingezette training van de arm-hand vaardigheid verhoogt de kans op functioneel herstel.

Verschillende longitudinale onderzoeken tonen aan dat het herstel van de handvaardigheid, in tegenstelling tot ADL en loopvaardigheid, reeds in de vijfde week goed kan worden voorspeld. Zo blijkt dat het uitblijven van functionaliteit van de paretische hand na de vijfde week voor meer dan 85% gerelateerd is met een functieloze hand na zes maanden. Bij patiënten met een aanvankelijk afwezige loopfunctie kan, in tegenstelling tot de handvaardigheid, pas een paar maanden na de beroerte een valide prognose worden gemaakt over de te verwachten loopvaardigheid.

De prognose van de paretische arm wordt grotendeels in de eerste 5 weken na de beroerte bepaald. Deze prognose is meestal ongunstiger dan die van ADL en loopvaardigheid. De ernst van de parese is in hoge mate gerelateerd aan het herstel van functionaliteit van de arm. Zo blijken patiënten die na de kritische periode van vijf weken nog geen willekeurige extensiefunctie van de pols hebben, voor meer dan 85% ook na zes maanden en één jaar een a-functionele arm-handfunctie over te houden.

Het is belangrijk om zich te realiseren dat herstel van de paretische arm nauwelijks samenhangt met herstel van ADL, gemeten met de Barthelindex. Hieruit mag worden geconcludeerd dat eventueel herstel van de paretische arm niet tijdens een evaluatie van de Barthel-index tot zijn recht komt. Kennelijk zijn patiënten in staat om, ondanks het uitblijven van herstel van arm-handvaardigheid, de persoonlijke verzorging zoals wassen en aankleden geheel te compenseren met de gezonde extremiteit.

2.4. Communicatie

2.4.1. Afasie

Bij stoornissen op het gebied van communicatie kunnen zich beperkingen voordoen bij de volgende activiteiten:

1. Zich uiten:

1.1. non-verbaal uiten o.a. door middel van mimiek, gebaren maken en aanwijzen

1.2. spreken

1.3. schrijven

2. begrijpen:

2.1. non-verbale informatie, zoals beelden en gebaren

2.2. gesproken taal

2.3. geschreven taal: lezen.

De onderliggende stoornissen zijn cognitief respectievelijk motorisch:

1. afasie, communicatiestoornissen bij rechter hemisfeerdisfunctie en verbale apraxie,

2. dysartrie.

Afhankelijk van de laesieplaats komen deze stoornissen geïsoleerd of gezamenlijk voor. Voor meer volledige modellen, met name linguistische taal-modellen wordt verwezen naar de handboeken van Ellis & Young, Dharmaperwira-Prins & Maas en de handleiding van de PALPA.

Tabel 2.1.

Afasiesyndromen in schema

Afasie is een niet-aangeboren taalstoornis die in het algemeen alle taalmodaliteiten betreft: spreken (woordvinding, woordvorming, zinsvorming), begrijpen (van woorden en zinnen), lezen en schrijven.

Afasie ontstaat met name bij beschadiging van de linker hersenhelft. Bij 92% van de rechtshandige en 69% van de linkshandige mensen zijn de belangrijkste taalgebieden in de linker hersenhelft gelokaliseerd. Bij een anterieure laesie ontstaat een niet-vloeiende afasie, die vaak gepaard gaat met een hemiplegie, dysartrie en/of verbale apraxie. Bij een posterieure laesie ontstaat een vloeiende afasie met slechts beperkte of voorbij gaande motorische uitval. Wereldwijd wordt een classificatie van vier afasiesyndromen gebruikt: globale afasie, Broca afasie, Wernicke afasie en amnestische afasie. In de klinische praktijk ziet men veel mengvormen. In de logopedische praktijk zijn, ongeacht het syndroom, de onderliggende linguistische stoornissen van belang voor diagnostiek en behandeling.

Ter verduidelijking en herkenning staan in tabel 2.1 de verschillende kenmerken van de syndromen in een schema.

afasiestoornisAmnestische afasieWernicke-AfasieBroca-afasieglobale afasie
laesieplaatsdiverstemporaalfrontaalfronto-pariëto-temporaal
hoeveelheid spreken (vloeiendheid)gewoon(te) veelweinigweinig tot niets
taalbegripvrij goedslechtredelijkslecht
nasprekenvrij goedslechtslechtslecht
hemiplegie/dysartrieneeneejaja
ziekte-inzichtgoedslechtgoedmatig

Afasie komt voor bij 24 tot 30% van de CVA-patiënten.In de acute fase van de beroerte heeft 40% een globale afasie.

Bij 75% van de afasiepatiënten begint het herstel in de eerste twee weken. Tijdens het spontaan herstel verbetert het auditief taalbegrip het meest, ongeacht het type en de ernst van de afasie. Zes maanden na het ontstaan van de afasie is 12 tot 23% nog afatisch. Leeftijd, geslacht, handvoorkeur en opleidingsniveau zijn niet duidelijk van invloed op het herstel. Wel blijkt de ernst van de afasie vlak na het ontstaan een negatieve voorspeller te zijn voor de mate van herstel.

Een afasie komt zelden alleen voor. Andere stoornissen zoals een hemiplegie, sensibiliteitsstoornissen, neglect, apraxieën, agnosieën, geheugenstoornissen en moeheid compliceren zowel de diagnostiek als de behandeling. Een afasie maakt iemand vaak afhankelijk van zijn gesprekspartner en kan leiden tot problemen bij participatie in sociale relaties en dagelijkse bezigheden. Voor verdere specifieke informatie over afasie wordt verwezen naar de handboeken in de literatuurlijst. Professioneel voorlichtingsmateriaal over afasie is te vinden via de homepage van de Stichting Afasie Nederland: www.afasie.nl.

2.4.2.Communicatiestoornissen bij disfunctie van de rechter hemisfeer

Ook bij een laesie in de rechter hemisfeer kunnen taal- of communicatiestoornissen ontstaan, die niet opvallen als woordvindingsproblemen, parafasieën of grammaticale stoornissen. De taalvorm en inhoud is grotendeels intact, maar het gebruik daarvan is veranderd.

Bij het overbrengen van informatie spelen vele factoren een rol. Tijdens het spreken passen we de inhoud en de vorm aan onze gesprekspartner(s) en de communicatieve situatie aan . Door ons taalgebruik en de toon waarop we iets zeggen, houden we rekening met wat hoort en wat niet hoort. Is het een informeel gesprek of een officiële bespreking en wat zijn de culturele afspraken? Moet ik mijn gesprekspartner ergens van overtuigen of is het mijn taak om vragen te stellen en te luisteren? Patiënten met een disfunctie van de rechter hemisfeer hebben geen moeite met de microstructuur van de taal, maar wel met de macrostructuur. Deze aspecten van de taal worden door de rechter hemisfeer beheerst.

De belangrijkste kenmerken van communicatiestoornissen bij disfunctie van de rechterhemisfeer zijn:

Het neglect en de anosognosie kunnen de vervreemding nog erger maken. Incidentiecijfers zijn niet bekend, onder andere omdat de stoornissen nogal eens over het hoofd worden gezien. De patiënten spreken immers vlot.

2.4.3. Dysartrie

Dysartrie is een door een neurologische beschadiging veroorzaakte spraakstoornis, die gekenmerkt wordt door krachtsverlies, verminderde coördinatie of sensibiliteitsstoornissen. Zowel de ademhaling als de stem, de resonantie, de articulatie, het spreektempo en de prosodie kunnen zijn aangedaan. Omdat de hersenzenuwen die de stem- en spraakmusculatuur aansturen (met name de nn. V, VII, IX, X en XII) ook geïnnerveerd worden vanuit de ipsilaterale hemisfeer komen ernstige dysartrieën door een beroerte vooral voor na bilaterale en bulbaire laesies. Toch kan ook een unilaterale beroerte een dysartrie veroorzaken die meestal beperkt blijft tot een centrale facialisparese (scheve mond). Na een enkelzijdige beroerte zijn er echter ook unilaterale sensibiliteitsstoornissen, tongparese en duidelijke stem- en articulatieveranderingen te vinden. Geschat wordt dat 35% van de CVA-patiënten direct na het ontstaan van de beroerte een dysartrie heeft, terwijl bij ongeveer 15% ook op langere termijn nog een dysartrie bestaat.

2.4.4.verbale apraxie

Bij een verbale apraxie is er sprake van een stoornis in de 'motor planning'. De patiënt met een verbale apraxie moet voortdurend zoeken naar de juiste articulatieplaats. Dat is als 'zoekend mondgedrag' ook te observeren. De articulatiefouten zijn daarom in tegenstelling tot die bij een dysartrie inconsistent en niet toe te schrijven aan kracht- of coördinatieverlies. De ernst varieert van mutisme tot 'onhandige articulatie' en licht verminderde verstaanbaarheid. Een verbale apraxie is meestal het gevolg van een laesie in de linker fronto-pariëtale kwab en gaat daarom vaak samen met een afasie en dysartrie.

2.5.Mobiliteit

In het domein van mobiliteit kunnen zich beperkingen voordoen bij de volgende activiteiten:

1.houding handhaven,

2.van houding veranderen,

3.lopen,rolstoelrijden,

4.hoogteverschillen,

5.vervoer.

De onderliggende stoornissen op dit domein kunnen zijn: paresen, spasticiteit, pijn, hyposensibiliteit, coördinatiestoornissen, gestoorde sensibiliteit, en gestoorde proprioceptie. Stoornissen op andere domeinen kunnen de mobiliteit ook negatief beïnvloeden; zoals bijvoorbeeld stoornissen op het gebied van cognitie, emotie en gedrag. Deze stoornissen worden bij het betreffende domein beschreven.

2.5.1.Loopvaardigheid

Epidemiologisch onderzoek toont aan dat ongeveer 75% tot 80% van de patiënten met een beroerte na verloop van tijd weer kan lopen. Verreweg het meeste herstel in loopvaardigheid vindt binnen 3 maanden na ontstaan van de beroerte plaats. Hoewel het herstel van loopvaardigheid een relatief gunstige prognose heeft, kan uiteindelijk slechts 30% van de patiënten die loopvaardig zijn, een voor de desbetreffende leeftijd normale loopafstand en loopsnelheid bereiken. Dit betekent dat in de meeste gevallen de kwaliteit van het gang-beeld na een beroerte afwijkend blijft.

2.6.Persoonlijke verzorging

Op het gebied van persoonlijke verzorging kunnen zich beperkingen voordoen bij de volgende activiteiten:

1. slapen,

2. eten en drinken,

3. zichzelf wassen en verzorgen,

4. zichzelf aan- en uitkleden,

5. continentie.

Mogelijke onderliggende stoornissen op dit domein zijn gelegen op de eerder beschreven domeinen vermoeidheid, cognitie, emotie en gedrag, communicatie en mobiliteit. Onderzoek naar het functionele herstel bij patiënten met een beroerte wijst uit dat vaardigheden zoals eten het eerst herstellen, terwijl meer complexe vaardigheden zoals aankleden, traplopen en het in en uit bad stappen, niet of pas het laatst herstellen.

Blaascontrole is een veel voorkomend probleem bij CVA-patiënten. Vier weken na de beroerte heeft 10% van de patiënten met een puur motorische uitval stoornissen in de blaascontrole, terwijl 70% van de patiënten stoornissen in blaascontrole heeft wanneer naast motorische stoornissen ook sprake is van somatosensorische en visueelspatiële perceptiestoornissen. Na zes maanden heeft 30% van deze patiënten nog stoornissen.

Mictie- maar ook defecatieproblemen kunnen samenhangen met neurologische verschijnselen (gedaald bewustzijn, hyperactieve blaas, sphincterslapte), (poly)medicatie, communicatieproblemen, onmogelijkheid om voldoende snel het toilet te bereiken of een urinaal aan te leggen, of met een personeelstekort.

Een overloopblaas resulteert in ongewenst verlies van kleine hoeveelheden urine bij toename van de intra-abdominale druk. Hoewel regelmatige toiletgang, het gebruik van incontinentiematerialen en intermitterende katheterisatie meer tijdsinvestering van verpleegkundig personeel lijken te vergen dan een permanente katheter, staat hier tegenover een lagere kans op infecties en beschadiging door het uittrekken van de katheters. Bij verblijfskatheters is de kans op infectie ongeveer 50% na vijf dagen en 100% na tien dagen.

Ook incontinentie voor feces wordt veelvuldig beschreven in de acute fase na een beroerte. In de meeste gevallen keert controle over de defecatie binnen twee weken terug. Veel patiënten hebben last van constipatie als gevolg van inactiviteit, veranderde voedselopname of angst. Diarree kan samenhangen met een veranderde voedselopname (sondevoeding) maar ook met medicatie of infectie.

2.6.1.Slikstoornissen

Ernstige slikstoornissen komen bij 65 tot 70% van de patiënten met bulbaire (in het verlengde merg) en bilaterale (corticale of subcorticale) laesies voor. Ook bij unilaterale beroertes (in één hersenhelft) komen (ernstige) slikstoornissen voor; in de acute fase bij ongeveer eenderde van de patiënten.

Het inadequaat kauwen en slikken van voedsel en/of het aspireren van speeksel, vocht en voedsel kan leiden tot onvoldoende voedselinname of aspiratiepneumonie en is geassocieerd met een verslechtering van de voedingstoestand, slechtere functionele gezondheidsuitkomst, een langere opnameduur, grotere kans op ontslag naar een verpleeghuis en een verhoogde kans op overlijden.

Het percentage slikstoornissen bij patiënten met een unilaterale hemisferische beroerte daalt van 29% op de eerste dag tot iG% na een week en tot z% na een maand. Het is mogelijk dat patiënten met stille aspiratie zijn gemist (geen röntgenslikvideo's).

2.7.Dagbesteding

Op het gebied van dagbesteding kunnen zich beperkingen voordoen bij de volgende activiteiten:

1.maaltijd verzorgen.

2.interieur verzorgen,

3.beroep,

4.bezigheden.

Mogelijke onderliggende stoornissen op dit domein zijn gelegen op de eerder beschreven domeinen vermoeidheid, cognitie, emotie en gedrag, communicatie en mobiliteit.

Patiënten met een beroerte hebben moeite bij het weer oppakken van hun vroegere sociale activiteiten. Contacten met familie en vooral met niet-familieleden nemen af. Activiteiten buitenshuis blijken moeilijker te realiseren dan activiteiten binnenhuis. Depressie na een beroerte hangt samen met een afname van sociale contacten. Stoornissen en beperkingen in activiteiten kunnen leiden tot veranderingen van gezinsrollen en sociale relaties, hetgeen kan resulteren in rolconflicten en spanningen. Het probleem van een zinvolle dagbesteding lijkt zich in de praktijk voornamelijk te manifesteren in de chronische fase.

2.8.Relaties

Bij stoornissen op het gebied van relaties kunnen zich beperkingen voordoen op de volgende activiteitengebieden:

1.partner,

2. kind(eren),

3. vrienden/kennissen.

Mogelijke onderliggende stoornissen in relaties liggen op alle eerder beschreven activiteitengebieden.

Een beroerte heeft gevolgen voor de kwaliteit van leven van de partner. Ook het leven van de partner verandert ingrijpend van de ene op de andere dag.

Zijn rol kan veranderen of zich uitbreiden: de partner is bijvoorbeeld naast echtgenoot ook verpleger, therapeut, chauffeur of organisator. Gezinsleden kunnen overbezorgd en teveel betrokken raken bij de patiënt. Vooral partners hebben een overbeschermende en onrealistische houding. Ze zijn vaker depressiever dan leeftijdsgenoten zonder zieke partner, wat de sociale revalidatie van de patiënten ongunstig kan beïnvloeden. Deze reacties van het thuisfront zijn zeker niet in de laatste plaats te wijten aan het feit dat zorgverleners vaak te kort schieten in hun voorlichting en overdracht naar het thuisfront. Hoe de balans tussen draagkracht en draaglast uitvalt, hangt uiteraard af van de persoon zelf en diens vermogen om met moeilijke situaties om te gaan; niet iedereen is overbezorgd en depressief.

Partners van patiënten met een afasie ervaren grotere rolveranderingen dan partners van nietafatische patiënten.Ook lijken zij meer dan gemiddeld last te hebben van depressie en geringe psychiatrische stoornissen. Vrouwelijke partners kunnen een psychologische verandering in hun partners ervaren en het gevoel hebben dat de seksualiteit na de beroerte is veranderd.

2.9. Complicaties

Na een beroerte kunnen de volgende complicaties optreden:

1. schouder-handsyndroom,

2. oedeem van de hand,

3. vallen,

4. epilepsie,

5. ondervoeding, voedingsstoornissen en uitdroging,

6. aspiratiepneumonie.

2.9.1. Schouder-handsyndroom

Over enige vorm van schouderpijn klaagt 70 tot 84% van de CVA-patiënten met een verlamming. Ernstige pijn treedt op bij een klein percentage van de patiënten.

De gevolgen van schouderletsel zijn aanhoudende pijn, een 'frozen shoulder' en verminderde functionele mogelijkheden.5 à 25% van de CVA-patiënten ontwikkelt verschijnselen van een sympathische reflexdystrofie (SRD) of schouder-handsyndroom (SHS), waarbij naast pijn ook autonome functie-stoornissen zichtbaar zijn. Bij ongeveer de helft van de patiënten met een SRD van de arm en/of hand is de schouder ook daadwerkelijk betrokken. Voor de diagnose en de therapie van SHS wordt de lezer verwezen naar het overzichtsartikel van Geurts et al. Door verschil in definities, diagnostiek en patiëntenkarakteristieken is de visie in de literatuur nog niet eenduidig. Aangenomen wordt dat meerdere oorzaken verantwoordelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling van SHS enSRD.

Mogelijke oorzaken van een pijnlijke schouder zijn:

1. ondeskundige benadering van de patiënt (bijvoorbeeld tillen en trekken aan de aangedane zijde),

2. langdurig liggen in slechte houding,

3. langdurig zitten in slechte houding,

4. zelfverwonding of trauma,

5. ontstekingsreactie door verwonding,

6. disharmonie van de tonus in de schoudergordel.

2.9.2. Oedeem van de hand

Een parese van arm en hand kan gepaard gaan met oedeemvorming. De oedeemvorming is doorgaans het meest uitgesproken aan de handrug en pitting van aard. Het (hand)oedeem is niet lymfogeen van aard. Er zijn vrijwel geen prevalentieonderzoeken bekend waarin oedeemvorming aan de arm en/of hand is onderzocht. In een ongeselecteerde groep patiënten kwam oedeem bij i~% van de patiënten voor. Evenmin is het mechanisme van zwelling bekend. Deze wordt vooral gezocht in de combinatie van immobiliteit (wegvallen van de spierpomp en daarmee veneuze en lymfatische afvoer) en gestoorde sympathische controle op het vaatbed. Omdat onbehandelde oedeemvorming van arm en hand vaak samen gaat met pijn en uiteindelijk leidt tot deformatie en contracturen, is behandeling gewenst.

Oorzaken van de oedeem van de hand zijn:

1. langdurig slechte houding van arm en/of pols

2. langdurig liggen op de pols in dorsaalfiexie

3. overstrekking van handgewrichten of pols, bijvoorbeeld tijdens therapie

4. zelfverwonding of trauma.

2.9.3. Vallen

Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat CVApatiënten vaker vallen dan leeftijdgenoten.

Geschat wordt dat 22 tot 40% van de CVA-patiënten vallen in de eerste maanden na de beroerte. In de revalidatiecentra wordt 61 tot 83% van alle valincidenten veroorzaakt door CVA-patiënten. Ook tijdens opname in een ziekenhuis vallen veel CVA-patiënten, 22% tot 46% van de opgenomen CVA-patiënten valt één of meer keer. Dit percentage stijgt tijdens de eerste zes maanden na ontslag uit het ziekenhuis tot 73%. Ander cohortonderzoek toont aan dat 39% van de patiënten die in aanmerking komt voor revalidatie, valt. Bovengenoemde percentages bevestigen dat de kans op vallen voor patiënten met een beroerte sterk is verhoogd in vergelijking met de kans voor gezonde leeftijdgenoten. In de literatuur wordt aangenomen dat CVA-patiënten met een beroerte in de rechter hemisfeer vaker vallen dan patiënten met een beroerte in de linker hemisfeer.

2.9.4. Epilepsie

Epileptische aanvallen vormen een belangrijke complicatie na een beroerte. Ongeveer 10% van de CVA-patiënten krijgt een epileptisch insult. In de acute fase (binnen twee weken) treedt bij ongeveer 5% een epileptische aanval op, vooral bij patiënten met grote corticale infarcten of bloedingen. De oorzaak van de aanvallen in de acute fase is waarschijnlijk meestal een verstoring in de elektrolytenbalans, het zuurbase-evenwicht en de zuurstofvoorziening van de hersenen. De prognose van deze aanvallen is meestal goed en de kans op recidieven gering. De prognose van de patiënt wordt meer bepaald door de omvang van het infarct of de bloeding dan door de insulten. Het risico voor recidieven is het grootst bij mensen die pas na enkele weken insulten krijgen. Dit komt waarschijnlijk vooral doordat deze insulten het gevolg zijn van littekenvorming in de hersenen. Meestal is er sprake van focale insulten, maar ook secundaire generalisatie komt regelmatig voor.

2.9.5. Ondervoeding, voedingsstoornissen en uitdroging

Een aanzienlijk aantal patiënten wordt na een beroerte opgenomen met verschijnselen van uit-droging en ondervoeding. Het percentage patiënten met deficiënties op dit gebied kan oplopen tot 22% bij ontslag. Mogelijke oorzaken van een inadequate orale voedselinname zijn slikstoornissen, het niet (goed) kunnen kauwen of zelfstandig voedsel tot zich kunnen nemen, verminderde interesse in voedsel, cognitieve problemen en communicatieproblemen. De mogelijke gevolgen zijn: algehele zwakte, verhoogde kans op huid-aandoeningen en drukplekken, elektrolyten tekorten en verminderde mogelijkheden om aan het revalidatieproces deel te nemen.

2.9.6. Aspiratiepneumonie

In verschillende studies is gevonden dat 13 tot 20% van de CVA-patiënten die voedsel aspireren, een pneumonie ontwikkelt. Van de niet aspirerende CVA-patiënten is dat 2 tot 9%. Factoren in het ontstaan van een aspiratiepneumonie zijn -behalve aspiratie van voedsel - een slechte gebitsconditie, afhankelijkheid in gebitsverzorging, afhankelijkheid in eten en drinken, veel medicatie, sondevoeding, slechte algehele weerstand, roken en meerdere medische diagnosen.